Wat doen wij

Klik hier om deze pagina af te drukken

Bezwaarprocedure

De VSOP heeft bij het ministerie van VWS navraag gedaan betreffende de mogelijkheid van bezwaar/beroep tegen een beslissing van de minister betreffende een specifiek expertisecentrum en een specifieke aandoening.

De reactie van het ministerie luidde als volgt:
“De regel in het bestuursrecht (artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht) is dat elke belanghebbende tegen een besluit van de minister bezwaar kan maken op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht, mits zij in de betreffende casus kunnen worden aangemerkt als “belanghebbende”, dat wil zeggen “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”.

Volgens art. 1:2 lid 3 Awb kunnen ook rechtspersonen die algemene of collectieve belangen behartigen als belanghebbende worden aangemerkt. Als hun belangen worden ook die belangen gezien, die zij krachtens hun statuten en feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. In dit geval is het aan de betreffende patiëntenorganisatie die (bezwaar en) beroep tegen een besluit wil aantekenen om aan te tonen dat zij kunnen worden aangemerkt als direct belanghebbende bij het besluit van de minister om een bepaald centrum al dan niet als expertise-centrum te erkennen. De beoordeling daarvan ligt vervolgens bij de bezwaarschriftencommissie van VWS, die het bezwaarschrift in behandeling neemt, alvorens beroep kan worden aangetekend bij de rechtbank.

Over het begrip ‘belanghebbende’ het volgende: Artikel 1:2 lid 1 Awb maakt geen onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen voor zover deze voor hun eigen belang willen opkomen, slechts is vereist dat diens belang "rechtstreeks bij een besluit is betrokken." Dat is het geval wanneer wordt voldaan aan de zogenaamde F-OPERA-criteria: (https://nl.wikipedia.org/wiki/Belanghebbende_%28recht%29)

  • Objectief bepaalbaar: het moet een objectief bepaalbaar belang betreffen; een subjectief belang (denk aan smaak, gedachten, eer of psychische gesteldheid) volstaat niet, hoe sterk dit ook mag zijn;

  • Persoonlijk belang: de persoon moet zich voldoende onderscheiden van willekeurige anderen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij een beschikking gericht tot een geadresseerde: de geadresseerde onderscheidt zich van ieder ander (die niet geadresseerde is). Van groot belang in de ruimtelijke ordening zijn zicht vanuit de woning op de door een besluit mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling en/of nabijheid tot die ontwikkeling;
  • Eigen belang: opkomen voor het belang van een ander is niet mogelijk. Het is wel mogelijk om als gemachtigde een ander te vertegenwoordigen (artikel 2:1 lid 1 Awb). In dat geval wordt het belang van de vertegenwoordigde getoetst, niet dat van de gemachtigde. Besluit iemand die als belanghebbende kan worden aangemerkt niet tegen een besluit op te komen, dan kan iemand anders dus niet in diens plaats opkomen;
  • Rechtstreeks belang: er moet voldoende causaal verband aanwezig zijn tussen de gevolgen van het besluit en het geraakte belang. Een afgeleid belang is niet voldoende. Daarvan is sprake als een persoon door een besluit in zijn belang getroffen wordt via een civielrechtelijke overeenkomst. Wordt de eigenaar van een woning een Omgevingsvergunning voor de aanbouw van een serre geweigerd, dan kan die eigenaar wel, maar een eventuele huurder niet tegen die weigering opkomen;
  • Actueel belang: het belang moet actueel zijn, dus niet gericht op eventuele toekomstige gebeurtenissen. Als een persoon verwacht te verhuizen naar een plek, en dicht bij die plek wordt een huis gebouwd, dan kan die persoon zich niet melden als belanghebbende. Er is sprake van een toekomstige, onzekere situatie.
  • Feitelijk belang: het belang mag geen fictie zijn, het belang moet feitelijk zijn en geen fictie of verzinsel.

Indien een bepaalde patiëntenorganisatie als belanghebbende bij de besluiten van de minister is aan te merken, kan een bezwaarschrift (gericht tegen een specifiek besluit) met nadere onderbouwing hiervan worden ingediend bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, t.a.v. directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20350, 2500 EJ Den Haag.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. De termijn vangt aan met ingang van de dag volgend op de dag waarop het besluit is gedagtekend.

Het bezwaarschrift wordt ondertekend door de indiener en bevat:

  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van het bestreden besluit, bijvoorbeeld door vermelding van het zaaknummer, briefkenmerk en datum of door bijvoeging van een kopie van het besluit;
  • de gronden van het bezwaar;
  • en in dit geval ook een nadere onderbouwing van het belanghebbende begrip.

Het bezwaarschrift kan ook gefaxt worden naar: (070) 340 59 84 of gemaild naar: WJZ.bezwaarenberoep@minvws.nl.

De VSOP kan patiëntenorganisaties géén juridische ondersteuning bieden in deze bezwaarprocedure.

Website: Websteen